‘Het gat in de Kinkerbuurt’, een met blauwe schuttingen afgeschermd vierkant op de hoek van de Borgerstraat en Jan Pieter Heijestraat in Amsterdam Oud-West, staat al 12 jaar leeg. Ooit stonden er sociale huurwoningen, maar in afwachting van een bouwvergunning zijn die in 2010 gesloopt. Die zou er echter nooit komen. De kredietcrisis gooide roet in het eten voor de geplande seniorenwoningen en latere plannen voor een hotel werden met succes bevochten door de buurt. Tot nog toe zit er geen schot in de zaak en lijkt de impasse nog jaren te gaan duren.

Van een braakliggend terrein is echter geen sprake. Tijdens de talloze bezwaarprocedures, gewijzigde bestemmingsplannen en hotelstops heeft de natuur vrij spel gekregen. Van enkele pioniersoorten is er op deze postzegel een volwaardig mini-bos ontstaan. De bomen komen inmiddels royaal boven de schuttingen uit, maar vormen slechts een hint naar de oase midden in dit drukke deel van de stad. Helaas is deze weelde aan groen voor niemand toegankelijk. 

Hoewel de woningnood groot is, de vierkantemeterprijs nog nooit zo hoog is geweest en om de gedeelde ruimte gevochten wordt, zijn Nederlandse steden bezaaid met onopgevulde ruimte. Vaak onzichtbaar achter bouwhekken en afgesloten van de publieke sfeer, wachten ontelbare stukken stad op invulling. Deze ‘lege’ plekken zijn de getuigen van de groeiende kloof tussen conflicterende belangen binnen de stad. Het idee dat ruimte geld is en er belegd wordt in baksteen stuit steeds vaker op onbegrip bij buurt- en stadsbewoners. Gemeenten zien hun inwoners wel mondiger worden, maar reageren langzaam. Ontwikkelaars lijken vaak geen oog te hebben voor het algemeen belang en schijnen onbenaderbaar. Ondertussen lopen de conflicten op en blijven kavels leeg. Resultaat is een morrende bevolking die dan maar het heft in eigen handen neemt met bijvoorbeeld kraakacties. Het succes van deze acties is echter vaak gering, omdat eigendomsrecht uiteindelijk sterker weegt dan algemeen belang en het publiek de urgentie niet inziet.

In het verlengde hiervan staat de groeiende ongelijkheid binnen onze steden. Het ideaal van de gereguleerde, volgeplande stad is voor een steeds kleiner deel van de stadsbevolking toegankelijk. Dit zorgt voor exclusiviteit en uiteindelijk voor polarisatie. Vrije ruimte, waar het niet zo nauw genomen wordt met de regels of sociale normen, wordt steeds schaarser en veelal verbannen naar de rafelranden van de steden. Juist deze plekken van sociale wildernis zorgen echter voor een gevoel van maakbaarheid, verbinding en ongedwongen participatie. Door dit soort plekken ook binnen de centra te behouden, blijft de stad opener en meer divers.

Vaak krijgen onbenutte plekken in de stad een tijdelijke economische, monoculturele invulling in afwachting van betere economische tijden, fiscaal aantrekkelijke constructies of gegentrificeerde wijken. Lokhipsters worden ingezet om de vierkante meterprijs op te krikken en hele gebieden worden kunstmatig geherwaardeerd. In essentie is dit niet slecht, maar de ongedefinieerdheid van deze onopgevulde plekken gaat er vaak aan ten onder. 




Het unieke van het soort private leegstand als bij het ‘Gat van de Kinkerbuurt’ is dat het geen doel op zich (meer) is om de prijzen op te drijven maar de leegstand wordt veroorzaakt door een rechterlijk conflict. Hierdoor is de leegstand een voor ieder onwenselijk neveneffect. 




Hoe kunnen we deze onbenutte en afgesloten plekken in Amsterdam tijdelijk openstellen met behoud van de ongecultiveerde waarden,
die leegstand met zich meebrengt?



























Coen van Bergeijk
©2025

contact me